Studievragen
The exam questions will be in Dutch, but the answers may be
provided in Dutch or English.
Lecture 1
1. Wat is apperceptive agnosia? Welke structuren zijn
hierbij beschadigd?
2. Wat is associative agnosia?
Welke structuren zijn hierbij beschadigd?
3. Wat is de ‘grandmother cell theorie’
(van Horace Barlow)?
4. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk wat prosopagnosia is.
Welke gebieden zijn hier (mogelijk) bij beschadigd?
Lecture 2
1. Is het werkgeheugen aangetast bij anterograde
amnesie?
2. Impliciet geheugen is niet aangetast bij anterograde
amnesie. Beschrijf twee impliciete geheugentesten.
3. Wat is de Wet van Ribot?
4. Wat is consolidatie en welke rol kan het
mogelijkerwijs spelen bij retrograde amnesie?
Wat is de (mogelijke) rol van de hippocampus hierbij?
5. Wat is semantische dementie? Hoe verhoudt het zich tot Alzheimer's dementie?
Lectures 3 and 4
1. Wat zijn de symptomen van Huntington’s disease?
2. Beschrijf zo goed mogelijk welke neuroanatomische
structuren zijn betrokken bij Huntington’s disease?
3. Wat is dementie? Geef de definitie. Zeg iets over het verloop.
4. Welke neuroanatomische gebieden zijn aangetast in
de eerste stadia van Alzheimer’s dementie?
Wat zijn zien we op microscopisch niveau?
5. Beschrijf de klachten van een Alzheimer’s
patiënt in het vroege en latere statium.
6. Wat zijn de groepen van klachten in
Parkinson’s patiënten? Beschrijf zo goed mogelijk hoe een
verlies van dopamine producerende cellen in de sustantia nigra
Parkinson’s kan veroorzaken.
Oefenvragen KNP
Docent: A. Kok (College 5)
1. Wat verstaat men onder event-related potentials (ERPs).
Geef aan wat het nut van het gebruik van deze methode is het
onderzoek naar stoornissen in hersenfuncties?
2. Wat verstaat men onder 'sensory gating'.
Bij welk soort patienten is deze functie verstoord?
3. Wat bedoeld met men het het begrip 'dubbele dissociatie?
Wat is het belang hiervan voor de neuropsychologie en geef
een voorbeeld.
4. Wat verstaat men onder het verschijnsel 'blindsight', en geeft
aan welke twee interpretaties van dit verschijnsel worden gegeven
5. Wat verstaat men onder het verschijnsel 'Hemispatial neglect'.
Geef aan waarom we hier niet men een stoornis in de visuele
perceptie, maar met een Aandacht stoornis te maken hebben.
6. Er is veel onderzoek gedaan naar Neglect patienten met spatiele
cueing (Posner) taken.
Geef aan welk patroon van resultaten hierbij wordt gevonden,
en hoe dit kan worden geinterpreteerd?
7. Wat wordt verstaan onder de stoornis "prosopagnosia".
Geef aan welk experiment de Haan op dit terrein heeft verricht,
en wat de resultaten aangeven.
8. Wat wordt bedoeld met de stoornis "extinctie': beschrijf in dit
verband de studie van Volpe et al. en wat deze studie aantoonde.
9. Noem de belangrijkste gebieden (of netwerken) die we in de frontale
schors kunnen onderscheiden (op college behandeld)
10. Noem enkele belangrijke verbindingen tussen de frontale en
posterieure schorsgebieden en omschrijf hiervan de (cognitieve)
functie (op college behandeld)
11. Omschrijf kort de inhoud van de volgende tests/taken in het
onderzoek naar frontale functies (en geef aan wat hiermee kan
worden aangetoond)
a) Wisconson Card Sorting Test
b) Stroop test
c) Go/Nogo taken
d) delayed response taken
12. Beschrijf de techniek van 'visuel halfveld' presentatie en
geef een voorbeeld van toepassing hiervan in het onderzoek van
'split brain' patienten.
13. Noem enkele cognitieve functies die aan de linker- en rechter
cerebrale hemisfeer worden toegekend?
College 8: Afasie (Hagoort)
1. Geef een korte omschrijving van de volgende subvormen van
afasie:
a) Broca afasie
b) Wernicke afasie
c)'Conduction' afasie
d) Transcorticale sensorische afasie.
Geef aan welke gebieden in de hersenen bij elke subvorm zijn
beschadigd.
2. Welke verwerkinsgstadia (of: componenten) kunnen we onderscheiden
bij het verwerken van
a) Enkelvoudige woorden
b) Zinnen
3. Wat word bedoeld met:
a) Fonologische
b) lexicale en
c) semantische verwerking?
4. Beschrijf het gedistribueerde model van concept representatie
van Allport.
Geef aan hoe volgens dit model het begrip 'telefoon' in de hersenen
is gerepresenteerd?
5. Noem enkele factoren die van invloed zijn op het herstel van
patienten na hersen letsel dat afasie tot gevolg heeft.
6. Wat wordt bedoeld met 'Cognitieve Neuropsychologische Analyse'
van een stoornis als Anomie (c.q. woord retrieval)?
Beschrijf in dit geval het invloedrijke model dat bij stoornissen
in woord retrieval kan worden gebruikt (fig. 12.4).
7. Er kunnen allerlei subvormen van dyslexie (leestoornissen) worden
onderscheiden.
Geef in dit verband aan wat bedoeld wordt met het onderscheid
tussen 'perifere' en 'centrale' dyslexie.
Noem ook enkele subtypen dyslexie die bij elke van deze twee
categorieën kunnen worden onderscheiden?
|